Rebellenleider Accara en de opstand in Berbice 1763

Rebellenleider Accara en de grote opstand in Berbice 1763

Al speurende naar documenten en gegevens voor mijn boek Cupido en Sideron. Twee Moren aan het hof van Oranje, dat in 2017 verscheen, kwam ik op allerlei interessante zijsporen terecht. Behalve de honderden, of misschien wel duizenden, documenten over de twee jongens Willem Frederik Cupido en Guan Anthony Sideron kwam ik tal van andere interessante personen ‘van kleur’ tegen in relatie tot stadhouder Willem V. Een van hen levert een spannend bijna filmisch verhaal op: Accara.

De naam Accara, Acra, Akara kwam ik op uiteenlopende plekken tegen, zowel in de geschiedschrijving over Berbice, als over Suriname, als in de financiële documenten van de Koninklijke Verzamelingen en zelfs ook in het Nationaal Archief bij de militairen. Het bleek steeds om dezelfde man te gaan. Een klein deel van mijn vondsten nam ik op in mijn boek. Maar een groter deel schrapte ik omdat het teveel een zijpad was en te ver van Cupido en Sideron afstond (schrijven is schrappen ). Enkele andere zijpaden kon ik na de publicatie van het boek onderbrengen bij Het Geschiedenis Magazine (zie elders op deze site). De rest bleef liggen en wacht nog steeds op het goede moment en/of plek voor publicatie.

Getriggerd door de actualiteit, lijkt het mij nu het moment om Accara onder de aandacht te brengen. Er verschijnen namelijk diverse publicaties over de opstand in Berbice. (o.a. Bloed in de rivier van Marjoleine Kars), bovendien worden op dit moment de brieven van Accara’s mede-rebellenleider Coffy in het Nationaal Archief tentoongesteld én binnenkort gaat de Slavernij tentoonstelling in het Rijksmuseum open.

Hierbij deel één met de focus op Berbice. Over deze opstand is verrassend veel materiaal terug te vinden in de Koninklijke Verzamelingen, want verslagen werden doorgestuurd naar de hertog Van Brunswijk die de zaken waarnam van de minderjarige aanstaande stadhouder Willem V. Brunswijk ging over de militaire troepen in de Republiek.

Accara deel 1: The Good, the bad and the defectors

Opstand in Berbice 1763 coll. West Fries Museum

Het begint in 1763, Accara moet dan een jonge man zijn. Het is het jaar waarin in Berbice een grote slavenopstand uitbrak. Berbice was destijds een plantagekolonie aan de gelijknamige rivier Berbice naast Suriname in het huidige Guyana. Het bewind was in handen van de Amsterdamse Sociëteit van Berbice. Bij hen kwamen waarschijnlijk de eerste verslagen binnen van ‘de revolte van de negros’ die begon op 23 februari 1763 op de plantage Magdalenaburg.

Berbice naast Suriname Coll Nationaal Archief (detail)
De plantages in Berbice Coll. Rijksmuseum
Detail met plantage Magdalenaburgh

Met buitgemaakte wapens trokken opstandelingen, onder leiding van de door henzelf benoemde gouverneur Coffy en kapitein Accara, naar andere plantages in de buurt.

Een kapitein van een slavenschip probeerde de opstandelingen nog te stoppen volgens onderstaand verslag in de Koninklijke Verzamelingen. Tekst loopt door onder afbeelding.

Koninklijke Verzamelingen (c)

De Europese kolonisten vluchtten in blinde paniek weg voor dit inmiddels goed georganiseerde leger dat de slaafgemaakten hadden gevormd. Ze konden niets beginnen tegen deze overmacht. Aan de hertog van Brunswijk werd gevraagd extra troepen te sturen.

Een tijdgenoot, Jan Jacob Hartsinck, beschreef in zijn Beschryving van Guiana, of de wilde kust in Zuid-America (1770) onder andere een scene waarin een mejuffrouw Schreuder direct te maken kreeg met de leiders Coffy en Accara (En zo wordt mijn eigen familienaam ook direct verbonden aan deze geschiedenis). Hartsinck: ‘Ondertussen werd de Gouverneur door de Vrouw van den Planter Schreuder, die van de Rebellen gevangen, en in den Arm gekwetst, maar weder ontslagen was: een brief overhandigd van twee hunner Opperhoofden Coffy en Accara, welke wij om de zeldzaamheid woordelijk hier bij voegen. De Waarschuwing aan de Heer Gouverneur van de kapitein Coffy van d: h: Barky. Accara ook van Barky. Waarschuwen de Heer Gouverneur als dat zijn Edele met deze Schepen naar Holland gaan zo gauw als mogelijk is en met de eerste mogelijkheid, en als de Heer Gouverneur dat niet doet zo moet U Ed: drie schoten doen zo zal de kapitein met een groot getal volk komen om te vechten. De reden van deze Oorlog is dat er veel Heren zijn geweest die de Slaven niet heeft gegeven dat haar toekwam, de voornaamste daar van is N.N….. en verzoeken dat de Slaven die beneden zijn niet moeten mede genomen worden of het zal kwaad gaan’. De gemelde Juffrouw Schreuder verhaalde ook, dat zij bij de Rebellen gevangen zijnde, gezien had, dat ze ruim zes honderd Koppen sterk op de Plantage Hollandia en Zeelandia bijeen waren; dat hunne aanhang nog wel uit duizend stuks bestond, en dat zij een soort van Regering hadden opgericht, houdende strenge Krijgstucht en scherpe wacht; dat ze op een reis zeven gevangene Christenen vermoorden, en hun Lijken aan haar vertoont hadden, en zij toen was vrijgelaten.’

Uit de verslagen van de kolonisten zou je kunnen concluderen dat kolonisten behalve vermoord ook in gevangenschap (slavernij) gehouden werden. Tekst loopt door onder afbeelding.

koninklijke verzamelingen (c)

De kolonisten bleken machteloos tegen de hit and run tactiek van de rebellen, ook omdat het regentijd was geworden en het hierdoor moeilijker werd voor soldaten om door de bossen met ‘swampen’ te trekken. Men wachtte op de droge tijd om terug te slaan. In de Koninklijke Verzamelingen zijn verslagen terug te vinden die de ontwikkelingen nauwkeurig verder beschrijven.

Het algemene publiek in de Republiek kon verslagen lezen in de kranten over de moordpartijen die de negers hadden aangericht onder de blanke plantagehouders en hun families. Tekst loopt door onder afbeelding.

Na hun overwinning wisten de opstandelingen tien maanden lang het grootste deel van Berbice in handen te houden. Leider Coffy had ondertussen een plan ontwikkeld. Waarschijnlijk was hij niet lang hiervoor slaafgemaakt in West Afrika en wilde hij naast zijn vrijheid een ‘Akan’ koninkrijk oprichten in de dichte bossen van Berbice. Om dit te bereiken ging hij, na zijn overwinning, diplomatiek te werk richting de kolonisten en stelde voor Berbice op te delen.

Hartsinck over een van de brieven van Coffy en Accara in 1770: ‘Coffy Gouverneur van de Negers van de Berbice en Kapitein Accara laat U Ed. Groeten, laat U Ed. weten dat we geen Oorlog zoeken, maar als UEd. Oorlog zoekt de Negers ook klaar zijn. (N.N. N.N.) zijn de hoofdschuldigen van het kwaad dat in de Berbice geschiet is, de Gouverneur is er bij geweest toen zij begonnen te schieten, hij is zeer kwaad geweest dat zij begonnen waren, de Gouverneur van Berbice verzoek U Ed. dat U Ed. naar mij komt om te spreken, en U Ed. hoeft niet bang te zijn maar als U Ed. niet wil komen, zij zullen vechten zo lang als een Christen in de Berbice is, de Gouverneur zal U Ed. geven de helft van Berbice en zijn mensen zullen allemaal naar boven gaan, maar moet niet denken dat de Negers weer Slaven willen zijn, maar de Neger die U Ed. heb op de Schepen die kan zijn U Ed. Slaven.’ Coffy zag voor zich hoe een deel van Berbice voor hem en zijn vrijheidsstrijders zou zijn en een deel voor de kolonisten. Hoewel Accara de medeopsteller van deze brief was, is het de vraag of hij aan dit plan heeft meegedacht. Qua karakter verschilde hij enorm van Coffy. Hij was meer het type opportunist, en werd later door kapitein John Gabriel Stedman ook beschreven als een moordzuchtige desperado. Dat grote verschil tussen de twee mannen is ook bij Hartsinck te lezen” dat Coffy en Accara dikwijls samen overhoop lagen, en dat de eerstgenoemde goed maar de laatste zeer kwaad van inborst was’.  [i]

Van de opstandelingen in Berbice zijn tot op heden geen portretten bekend. Wel zijn een aantal enigszins vergelijkbare vrijheidsstrijders verbeeld. Tekst loopt door onder afbeelding.

Ondertussen was er een prijs op het vangen van de twee leiders in Berbice gezet. Hartsinck: ‘Voor de Neger Coffy die zich als Gouverneur opgeworpen heeft, zal betaalt werden aan degene die hem komt te vangen, en aan de Justitie over te leveren, een Premie van Vyf honderd Guldens. Item voor de Neger Accara die zich als Capitein van de Negers heeft opgeworpen, aan die hem komt te vangen en op te brengen, Vier honderd Guldens.’

Coffy ging ondertussen langdurig verder met brieven (waarschijnlijk door Europese gevangenen geschreven) en koeriers te onderhandelen met het gevluchte koloniale bestuur. Dit ging in het voordeel van de kolonisten werken omdat zij tijd konden rekken en wachten op versterking. Nog gunstiger werd het toen er bij de rebellen een strijd om de macht ontstond. Volgens onderzoek van Barbara L. Blair, gepubliceerd in 1984, ging het hier om een twee groepen: de strak door Coffy geleide groep West Afrikanen tegen de veel losser geleide Centraal Afrikanen door Atta. Coffy kon zijn leiderschap niet vasthouden en pleegde zelfmoord. De macht werd door Atta, overgenomen waarna hij kapitein Accara onherstelbaar diep vernederde door hem weer tot slaaf te maken. Daarmee was hij weer terug bij af. Op zoek naar een nieuwe vrijheid nam Accara een groot risico: hij en een andere voormalige leider Goussari liepen over naar de kolonisten. Goussari was net als Accara een killer volgens geschriften van witte Nederlanders. Hij werd beschreven als een der grootste Moordenaars en Brandstichters die by de Negers bekend was. Het tweetal kreeg clementie in ruil voor hulp bij de jacht op de vrijheidsstrijders. Hartsinck hierover: ‘Deze beide negers …waren mede in de rebellie gewikkeld geweest, doch weder vrijwillig tot de onze overgekomen. op belofte dat men hen in het leven zou sparen en hadden de heer de Salve aangeboden om de gevluchte negers in de bossen op te zoeken en te vangen‘. De twee mannen vingen, volgens de overlevering, eigenhandig de nieuwe leider Atta, die Accara zo omlaag haalde, en een maand later gaven 2600 voormalige slaafgemaakten zich over. Uiteindelijk slaagden de Nederlanders, na aankomst van nieuwe troepen, er in de controle over Berbice terug te krijgen. Volgens Hartsinck bleken de acties van Accara, en Goussari van doorslaggevende invloed op dit succes. [ii] 

Er volgden gruwelijke martelingen en doodvonnissen. Een ooggetuigenverslag werd gepubliceerd in de Leeuwarder courant. Het leest als een horrorfilm: De 27ste van de afgelopen maand april ben ik ooggetuige geweest van de tweede executie der rebellen. Het alom berucht opperhoofd van hun Atta genaamd, door ons gevangen en aan justitie overgeleverd, was een van de patiënten, en ontving naast ruim 30 van zijn voornaamste medeplichtigen de verdiende loon. Voor hem was een afzonderlijke houthoop gemaakt, in wiens midden een paal stond, waaraan hij met een ketting vast gemaakt werd, zo dat hij rond de paal kon lopen. ’s Morgens om half zeven begon de executie; hij werd ten eerste aan de paal vastgemaakt, en op vier plekken werd een stuk vlees met een gloeiende tang uit het lichaam gerukt. Dit werd hem vervolgens elk half kwartier gedaan. Tot ’s middags twaalf uur.

Nadat hij de eerste maal genepen was, werden acht van zijn medeplichtigen levend geradbraakt, daaronder een vrouw, die enkele christen vrouwen op de aller-lelijkste wijze had doen vermoorden, en hun bloed uit wraakzucht gedronken had. Dit ondier bleef ruim twee uren lang op het rad leven, nadat al haar beenderen door de moker in stukken waren geslagen. Er werd geen genadeslag gegeven. Toen dit gebeurd was werden er zeventien opgehangen, waarbij waar het volgende zeldzame gebeurde: een van de negers viel van de galg, omdat de strop brak, na enige minuten te zijn blijven liggen stond hij op en keek om zich heen waar hij een van de geradbraakte neger op het rad zag liggen. Hij liep er heen en gaf hem uit alle macht drie trappen in de buik waarbij hij uitschreeuwde: verd… hond, het is jouw schuld dat ik moet hangen. Dit gedaan hebbende, ging hij zelf de ladder weer op en liet zich gewillig de tweede keer hangen. Vervolgens werden er vijf met klein vuur verbrand, of om het beter te zeggen, gebraden, en gedurig met tangen geknepen. Het bericht gaat nog een heel stuk door met het gedetailleerd beschrijven van de martelingen. Tekst loopt door onder afbeelding.

Blijkbaar was er een grote interesse in dergelijke gruwelverslagen. De hele opstand sprak sowieso in de Republiek erg tot de verbeelding. Een paar maanden later werd de geschiedenis compleet met kaart aangeboden bij boekhandelaren.

Er is daarnaast een prent met de titel opstand in Berbice die niets aan de verbeelding over laat (zie bovenaan deze pagina). Op die afbeelding zijn de opstandige slaafgemaakten te zien die kolonisten onthoofden. In de voorgrond ligt een stapeltje witte lijken. [iii] Slavenopstanden spraken al langer tot de verbeelding van Europeanen. De marron (gevluchte slaafgemaakte) die zijn ketens had afgeworpen om vrijheid te zoeken was in de literatuur al een thema. Zo was er bijvoorbeeld het boek Oroonoko van Aphra Behn uit 1688 over een adellijke Afrikaan in Suriname die in opstand kwam.

Accara reist naar de Republiek

Terug naar de hoofdrolspeler van dit stuk: overlever, en overloper, Accara. In 1765 vond de hertog van Brunswijk het goed dat de Zwitserse majoor Louis Henri Fourgeoud de twee fameuse negers meenam naar de Republiek. Accara en Goussari, die volgens sommigen verschillende blanken hadden vermoord, kwamen in 1765 met Fourgeoud naar Nederland. ‘Met dit laatste schip zijn ook overgebracht de twee fameuze negers, Accarra en Goussarie genaamd werd genoteerd in de resoluties van Holland. De twee werden hierna trommelaars bij een regiment. [iv] Tekst loopt door onder afbeelding.

Tekening door Paulus Constantin la Fargue, 1770, collectie Gemeente Archief Den Haag

Misschien is een van hen de zwarte cavalerist die met grootste gebaren op zijn rijk versierde bedoekte pauken slaat in de tekening van Paulus Constantijn la Fargue uit 1770. De zwarte man heeft een kostbaar uniform aan en een tulband op met veren, Accara en Goussari moeten er vergelijkbaar hebben uitgezien. Het paard staat rustig in een landschap met bomen, waarschijnlijk het Haagse bos. Mocht het niet een van de twee mannen zijn in 1770, dan is dit een derde zwarte trommelaar in dienst van Willem V. Zou hij ook een dergelijke gruwelijke moorddadige achtergrond hebben? Je gaat nu ietwat anders kijken naar deze tekening. [v]

Accara en Goussari blijken overigens niet de enigen te zijn die werden beloond voor hun daden in Berbice. Er is minstens nog een voormalige slaafgemaakte uit de kolonie meegenomen is te lezen in een krantenbericht: Leeuwarden 3 maart. Op zondag, den 25ste is te Donjum een neger uit de kolonie Berbice, die wegens zijn in de laatste opstand aldaar bewezen trouw aan de compagnie zijn vrijheid geschonken was, na onderwijs, en belijdenis van de christelijke gereformeerde godsdienst is hij door I Schrinerius gedoopt. Hij kreeg de namen Matthijs Carel Willems mee. Degene die de opdracht tot de doop gaf is de graaf Carel Georg van Wassenaar van Twickel, de man die in 1763 plechtige woorden uitsprak over vrijheid tegen de jonge Willem V in de Staten Generaal. Matthijs Carel Willems vertrok na de doop terug naar Den Haag. Waarschijnlijk woonde hij daar al vanaf 1765 in wat nu het paleis aan de Kneuterdijk genoemd wordt. [vi]

Mogelijk onderhielden de drie mannen uit Berbice, Accara, Goussari en Matthijs Carel Wllems, contact met elkaar in Den Haag. De voormalige rebellenleider Accara zal tot zijn dood, waarschijnlijk in 1817, verschillende keren contact hebben met het hof.

Tot zover dit deel over Accara. Hij blijft niet in Den Haag, de geschiedenis gaat nog verder waarover in een volgende post meer.

Ter info: Ik heb de citaten enigszins hertaald voor leesbaarheid.

In het vervolg o.a.: aandacht over zijn verblijf met Fourgeoud en John Gabriel Stedman in Suriname en financiële steun van Willem V persoonlijk. Tekst loopt door onder afbeelding.

Zie ook bericht over de brieven van Coffy in het Nationaal Archief https://nos.nl/artikel/2365309-wij-ben-vrij-de-unieke-brieven-van-een-slavenopstand.html

Over de tentoonstelling in het Nationaal archief met de brieven van Coffy. https://www.nationaalarchief.nl/beleven/tentoonstelling/opstand-vrijheid.

Voetnoten:


[i] Ze nemen hun bezittingen mee, ook trouw gebleven slaven. Een aantal vluchtte naar Curaçao waar ze de meegenomen slaven verkochten. Beschrijving van Guiana of de wilde kust van Amerika. DBNL Hartsinck pp  381 382. (online). dbnl na 1.05.01.02 nr. 317; Guest Lecture by Marjoleine Kars, “Freedom Marooned” (4 april 2017), Universiteit Leiden; Met dank aan Paul Koulen. Zie ook Barbara L. Blair, ‘Wolfert Simon van Hoogenheim in the Berbice slave revolt of 1763-1764’, Bijdragen tot de Taal-, Land- en Volkenkunde, Deel 140, 1ste Afl.,

[ii] ‘ Uit een ” verslag van de Gouverneur Wolfert Simon van Hoogenheim:Op 2 mei kwam de brief binnen waarin stond: ‘Met de aller uitterste droefheid, en niet zonder veel tranen te storten, moet ik uw bekend maken de bedroefder en genoegzaame ondergan van onze kolonie de Berice en ingezetenen benevens mijn vlucht met mijn vrouwe en kindern om ons leven te salveren.’ ‘ terwijl de vijanden van alle kanten zich van de kolonie meester maken…Zo hebben de rebellen tussen de vier a 500 mennen sterk voorzien van schietgeweer en verder scherpe instrumenten op den 2 April de ondergetekende en zijn bijhebbend volk ongeveer 70 mannen sterk op gemelde Plantage geattaqueerd… die na een gevecht van 5 uur met achterlating van vele doden afgeslagen worden‘; Kars p 203  Reinier Vryaarts, Reinier Vryaarts openhartige brieven: om te dienen tot opheldiering…p 188; Marjoleine Kars,’De Berbice slavenopstand, 1763-1764′, in:  Geweld in de West. Een militaire geschiedenis van de Nederlandse Atlantische wereld, 1600-1800.Brill.

[iii] Vervolg: Een andere stond op een houthoop en was als eerste dood waarna het vuur rondom Atta aangestoken werd, maar toen het brandde, bluste men et telkens met water, zodat zijn finetten des te langer duren zou, wat ook gebeurde, dat niettegenstaande hij omtrent elf het vuur ontstak hij nog tot half een bleef leven. Verbazingwekkend is dat zij zich allemaal hebben laten verbranden, radbraken ophangen enzovoorts zonder te schreeuwen of te kermen. Het enige wat Atta zei was tegen de Gouverneur. Hij riep in zijn negertaal: ‘Mijn god wat heb ik gedaan? De gouverneur heeft gelijk; ik lijd hetgeen ik verdiend heb, ik dank hem’. Dit was het einde van het berucht monster, wiens bloeddorst en onmenselijkheid de dood van zoveel christenen en het bijna onherstelbaar tenietgaan van deze kolonie teweeg bracht.

Vervolgens werden er vijf met klein vuur verbrand, of om het beter te zeggen, gebraden, en gedurig met tangen geknepen. Een andere stond op een houthoop en was als eerste dood waarna het vuur rondom Atta aangestoken werd, maar toen het brandde, bluste men et telkens met water, zodat zijn finetten des te langer duren zou, wat ook gebeurde, dat niettegenstaande hij omtrent elf het vuur ontstak hij nog tot half een bleef leven. Verbazingwekkend is dat zij zich allemaal hebben laten verbranden, radbraken ophangen enzovoorts zonder te schreeuwen of te kermen. Het enige wat Atta zei was tegen de Gouverneur. Hij riep in zijn negertaal: ‘Mijn god wat heb ik gedaan? De gouverneur heeft gelijk; ik lijd hetgeen ik verdiend heb, ik dank hem’. Dit was het einde van het berucht monster, wiens bloeddorst en onmenselijkheid de dood van zoveel christenen en het bijna onherstelbaar tenietgaan van deze kolonie teweeg bracht. Om niet al teveel kostbaar bezit, dat wil zeggen: sterke mannen die veel werk kunnen verzetten, te vernietigen, volgt een amnestie voor de andere opstandige slaven. Behalve de ca 40 blanken hadden ca 2000 slaven het leven gelaten. Dat werd in de Republiek door velen als kapitaalverlies gezien.; Leeuwarder Courant 14-12-1763; Relaas van de opstand der negers op de Berbice, een naauwkeurige Kaart, 2 Plaaten, een korte Beschryving van de Colonie.

[iv] Staat in een missive van 15 oktober 1765; Elias Luzac, Reinier Vryaarts openhartige brieven, om te dienen tot opheldering en regte kennis van de vaderlandsche historie en treffens ter aanwyzinge van de waare en wezenldlyke oorzaaken van ‘s Lands vervallen en kwynenden staat, mitsgaders van de middelen om tot beteren toestand te komen, 1781,  p. 187.

[v] Kars, p. 207′; Bij de nummering van de nationale infanterieregimenten van het Staatse leger in 1772 ontving het mariniersregiment van De Salve het nummer 19 en dat van Fourgeoud het nummer 21 Le Major Gourgeoud amena en Hollande les deuz fameux Negres, Accara & Goussarie que l’on ne jugea point devoir laisser dan la colonie.  staat in 1774 in Histoire general des voyages ou Novelle collection de toutes les relation de voyages par mer et par terre….; Resolutien van de Heeren Staatem Holland en Westvriesland, 1765, p 868; Krant Donjum: Middelburgse Courant van 10-3-1770; Gemeentearchief Den Haag coll prenten, inv nr kl A 2844 Paulus Constantijn la Fargue , 1770 95 x 64

[vi] Doop registers Friesland Donjum 1770,  Oudheidkundige aanteekeningen van de dorpen en kloosters der grietenij …p 41; In Leeuwarden werd de grootmoeder van Willem v, Marie Louise van Hessen-Kassel, door verschillende mensen op de hoogte gehouden. Haar interesse werd, waarschijnlijk, ingegeven door het financiële belang, in de vorm van actiën in de wic; Marjoleine Kars, ‘De Berbice slavenopstand, 1763-1764’, in: Geweld in de West. Een militaire geschiedenis van de Nederlandse Atlantische wereld, 1600-1800, Leiden 2013, p. 203; Leeuwarder Courant 19-9-1764: Leeuwarder Courant 14-12-1763: Relaas van de opstand der negers op de Berbice, een nauwkeurige Kaart, 2 Plaaten, een korte Beschryving van de Colonie’; kha a28 inv.nr. 456-458, 364; 471.

All photos on this site are not intended for any commercial purpose. I have tried to trace all the rules and rights of all images. As far as I know, these images can be used in this way. If you ar a copyright holder and would like a piece of your work removed or the creditline changed then please do not hesitate to contact me.

estherschreuderwebsite@gmail.com

About me

In 2008 I was guest curator of the exhibition Black is beautiful. Rubens to Dumas. Important advisors: Elizabeth McGrath (Rubens and colleagues, Warburg institute Image of the Black in Western Art collection), Carl Haarnack (slavery in books), Elmer Kolfin (slavery in prints and paintings) en Adi Martis (contemporary art). Gary Schwartz made his research for The Image of the Black in Western Art available to me.

Black beautiful Rubens to Dumas cover

In 2012 my Anniversary book: 100 years Schiller 1912-2012 was published. Initiative, idea, text and editing (ES). Design and photography Monica Schokkenbroek.

Schiller in Parool boekje 26-11-2012 Paul Arnoldussen
Schiller in Parool boekje 26-11-2012 Paul Arnoldussen

In 2013 my book Cobra aan de gracht / Cobra on the Canal was published by Samsara publications.

In 2014 my essay ‘Painted Blacks and Radical Imagery in the Netherlands (1900-1940)’ was published in The Image of the Black in Western Art Volume V (I). (ed. David Bindman, Henry Louis Gates jr.)

(About f.i. On the terras, by Nola Hatterman but also Jan Sluijters, Kees van Dongen, Irma Stern and more)

In 2017 I published a book about the black servants at the Court of the Royal Van Oranje family. More than a thousand documents have been found about their lives. (only in Dutch)

Cupido en Sideron Cover 30-8-2017

All photos on this site are not intended for any commercial purpose. I have tried to trace all the rules and rights of all images. As far as I know, these images can be used in this way. If you ar a copyright holder and would like a piece of your work removed or the creditline changed then please do not hesitate to contact me.

estherschreuderwebsite@gmail.com

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out /  Change )

Google photo

You are commenting using your Google account. Log Out /  Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out /  Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out /  Change )

Connecting to %s