•The Rainbow Nation Essay: A Certain South Africanness NL

Dumile Feni History 1982 op Rainbow Nation tentoonstelling 2012 Beelden aan Zee, Scheveningen

A Certain South Africanness  (in English here)

Kunstenaars verschillen van elkaar en maken op verschillende manieren kunst. Maar overal op de wereld -en de wereld is groot- verwijzen hedendaagse, internationaal opererende kunstenaars naar het verleden van de eigen locale geschiedenis en cultuur. In Zuid-Afrika is het niet veel anders. Soms gaan die verwijzingen vele eeuwen terug, want de kunstgeschiedenis en het ontstaan van de mensheid zou wel eens in Zuidelijk Afrika begonnen kunnen zijn.

Zou deze lange geschiedenis voor A certain South Africanness hebben gezorgd? Bestaat er iets dat typisch Zuid-Afrikaans is? Iets dat door alle bevolkingsgroepen van The Rainbow Nation gedeeld wordt? Iets dat te vergelijken is met zoiets als ‘het typische licht van de Lage Landen’ en de aandacht voor ‘het gewone leven’ in de Nederlandse kunst?

Bij een poging tot het beantwoorden van deze vraag loop je meteen tegen een groot probleem op: namelijk dat je niet van één Zuid-Afrikaanse kunstgeschiedenis kunt spreken. Er zijn vele geschiedenissen en die worden ook nog eens voortdurend herschreven. Dat geldt met namen voor de  laatste twintig jaar waarin de blik op de Zuid-Afrikaanse kunstgeschiedenis volledig werd omgegooid door afschaffing van de Apartheid. En veel boeken moeten nog geschreven worden. Veel onderzoek moet nog gedaan worden, want de meeste literatuur gaat niet verder dan honderd jaar terug. Bovendien kun je over blanke kunstenaars zoals David Goldblatt, William Kentridge, Claudette Schreuders en Jane Alexander planken vol materiaal vinden, maar van zwarte kunstenaars zoals Jackson Hlungwani, Dumeli Feni en Sidney Kumalo zijn de publicaties op één hand te tellen.Dit verschil heeft alles te maken met het feit dat boeken over Kentridge en Goldblatt op een internationale markt gretig aftrek vinden. Uitgevers investeren makkelijker in dergelijke publicaties.

Jackson Hlungwani Horned pig op Rainbow Nation tentoonstelling Beelden aan Zee Scheveningen te zien

Desalniettemin wordt er op dit moment in Zuid-Afrika op dit gebied een belangrijke inhaalslag gemaakt. Wat hieruit blijkt is dat ondanks de verschillen die er nog steeds bestaan tussen de zwarte, bruine en witte Zuid-Afrikanen, de overeenkomsten soms ook verrassend groot zijn. De verschillen zitten hem meestal in de onderwerpen die aangekaart worden, maar wat betreft vorm wordt bijna door iedereen leentjebuur gespeeld bij de andere culturele groepen.

Een voorbeeld zijn de gekraalde platte ‘eieren’ van de jonge kunstenaar Francis Goodman. Ze passen in het mondiale kunstdiscours, maar hebben daarnaast elementen die je Zuid-Afrikaans zou kunnen noemen. De werken lijken geïnspireerd door de halssieraden van de Zulu’s. De sieraden zijn gemaakt met kralen die in speciale patronen zijn aangebracht. Elk kralenpatroon heeft een boodschap voor de goede lezer. Meestal zijn het liefdesboodschappen. Behalve deze Zululiefdesbrieven spelen mogelijk ook de tradities van de Buschman en Khoi khoi mee. In Zuidelijk Afrika worden al 50.000 jaar struisvogeleieren gebruikt om water in mee te dragen. Sommige van de eieren zijn rijkelijk bewerkt met weer andere motieven dan die in Zulusieraden worden gebruikt.

Met iets meer kennis over Zuid-Afrika krijgt de kunst van Frances Goodman extra betekenis. Daarom volgt nu een vogelvlucht over de rijke kunst en cultuurgeschiedenis van Zuid-Afrika, om de geselecteerde kunst op deze tentoonstelling (Beelden aan Zee 2021) iets meer lagen te bieden.

Zuid- Afrika bakermat van de mensheid en de kunst

Beginnings

Ernst Gombrich begint zijn wereldberoemde boek The Story of Art met het hoofdstuk Strange beginnings. In dit hoofdstuk geeft hij aandacht voor de kunst van de eerste mensen, in paleolithische tijden. De eerste menselijke voetafdrukken zijn in Zuidelijk Afrika teruggevonden. Archeologische vondsten van kunstvoorwerpen in Zuidelijk Afrika worden zeer oud gedateerd. Het gaat hierbij om symbolische tekens op stenen en sieraden van slakkenhuizen, gemaakt ongeveer 77.000 jaar geleden. Afrika liep daarbij 40.000 jaar vooruit op Europa. Vanaf het vroegste ontstaans begin heeft de moderne mens (Homo Sapiens) al kunstvoorwerpen gemaakt.

Met kunstvoorwerpen bedoelen we dan: één of ander vorm van expressie in de vorm van symbolen.

Schilderijen op basis van grotschilderingen, Kaapstad, Zuid Afrika foto Esther Schreuder

Heel menselijk is het blijkbaar om van niets iets te maken. Of anders gezegd: er lijkt een algemene behoefte of obsessie te bestaan tot het versieren van de omgeving met geometrische vormen zoals de buitenmuren van huizen, de binnenkant van huizen, gebruiksvoorwerpen, mensen, struisvogeleieren en meer.  De beroemdste oude vormen van kunst in Zuid- Afrika zijn de 15.000 rotsschilderingen die in het hele land te vinden zijn en die dateren van 2000 tot 3000 jaar geleden.

Even spectaculair maar van latere datum zijn de zeven hoofden die rond 1950 bij het plaatsje Lydenburg werden gevonden. De meningen verschillen enigszins over de precieze leeftijd van de Lydenburghoofden. Het Metropolitan Museum in New York houdt 500 na Christus  aan, maar in Zuid-Afrika zelf houden wetenschappers het op 700 na Christus. De hoofden zijn van klei gemaakt en hebben intrigerende fantastische dierachtige voorkomens. Eén ervan lijkt op een hond.

lydenburg-heads

De beelden passen in een lange, lange traditie van aardewerken beelden, potten en ceramiek. Vaak verwijzen de vormen naar delen van het menselijk lichaam zoals lippen, schouder of nek. Zoals de Shona, een van de vele culturele groepen in Zuid-Afrika, zeggen:

Een pot is een persoon, een pot is een graf’.

collection Iziko Cape Town

De potten werden niet alleen als begrafenisobject gebruikt, men bewaarde er bijvoorbeeld bier in. Prachtige en soms ook geestige potvormen en potdecoraties evolueerden door de eeuwen heen van vorm en kleur. En nog steeds horen Zuid-Afrikaanse ceramisten tot de beste van de wereld.  Zowel als het bakken en bewerken van klei, is de kennis van metaalbewerking ongeveer 2000 jaar geleden uit Noordelijker Afrika naar het zuiden gekomen. De meeste spectaculaire archeologische vondst op dit gebied dateert uit 1933 toen de goudschat van Mapungubwe uit een graf tevoorschijn kwam. Het gaat om een groot aantal objecten die gemaakt zijn rond 1200 na Christus. Bij die objecten zijn prachtige verfijnde sieraden en een zeer levensechte neushoorn.

za048-09

De vondst werd door het Apartheidsregime stil gehouden omdat het niet paste in hun ideologie. Hoe kan een primitieve zwarte samenleving uit de middeleeuwen zulke kunstvoorwerpen hebben geproduceerd? De schat was een vette streep door de gedachte dat er vóór de komst van de blanken geen  ‘hogere’ of ‘ontwikkelde culturen’ in het land aanwezig waren.                                                                                                                                             In tegenstelling tot die laatste gedachte kon met deze schat aangetoond worden dat er tussen 1000 en 1500 machtige koninkrijken in Zuidelijk Afrika waren geweest. Die koninkrijken onderhielden een levendige handel met de Islamitische wereld, waar een grote vraag naar goud en ivoor was. De Zuidelijk-Afrikaanse machthebbers konden dit goud leveren. Ze werden hierdoor rijker, nog machtiger en konden zichzelf steeds meer permitteren, waardoor een kunstproductie van hoge kwaliteit tot bloei kwam. De bewerkers of kunstenaars van goud  deden nieuwe uitvindingen om hun producten verfijnder te maken.

De Europeanen

Vanaf 1500 verminderde de uitwisseling op het continent tussen noord en zuid, omdat de Portugezen de handel rondom Afrika begonnen over te nemen. De specerijenhandel met Azië werd een van de hoofdmotieven van de Europeanen om Kaap de Goede Hoop bij Zuidelijk Afrika te ronden. Zuidelijk Afrika lag zeer strategisch in de handelsroutes van de VOC. In 1652 kwamen de Nederlanders, onder leiding van Jan van Riebeeck, aan land bij de Kaap om er zich te vestigen. Zij, en andere Europeanen die volgden. Ze namen hun Europese cultuur mee. De Europese culturen mixten met de ‘inlandse’ culturen en met culturen uit Azië, zoals Javanen en Molukkers. Veel van deze Aziaten werden als slaven geïmporteerd door de Nederlanders.De vestiging en soms gedwongen vermenging van culturen ging vaak met geweld gepaard. Men liet zich niet zomaar onder de voet lopen. Een interessant voorbeeld van een van de vele cultuurmixen is de taal het Afrikaans. Deze taal is nu bij een aantal internationaal bekende beeldende kunstenaars uit Zuid Afrika een onderdeel geworden in hun werk.

large_poezie-07

(url Groene Amsterdammer) ka-verdraaide-stuiwers-in-die-armbeurs

Url Willem Boshoff Kyk Afrikaans

Een ander illustratief voorbeeld van de beïnvloedingen komt uit de negentiende eeuw waarin koning Shaka zijn machtige Zulurijk stichtte. Shaka (1786-1828) en zijn opvolgers bewonderden de voor Afrikaanse begrippen ‘hoge’ stoelen van de Europeanen. Zij zetten deze tronen naar Europees voorbeeld gesneden, in als uitdrukking van macht naar hun eigen onderdanen. Deze Europeaniserende stoel-tronen werden uit één blok hout gesneden. De Zululeiders waren zich bewust van de kracht en het belang van kunst en cultuur en investeerden hier in. Shaka’s opvolger Dingane wilde bijvoorbeeld een glazen-kralen- productiebedrijf opzetten. De kralen waren een geliefd en duur importproduct en nauw verbonden met de Zulu-identiteit.

Nu vind je deze ‘Zulukraalmotieven’ overal terug in Zuid-Afrika. Zelfs op de keppeltjes die te koop zijn in het South African Jewish Museum van Kaapstad.

Keppeltjes in JHM Kaapstad foto Esther Schreuder

 

Anglo Boerwar –  South African War

Cruciaal voor de verdere kunst- en cultuurontwikkeling is de Anglo-Boerwar geweest aan het eind van de negentiende eeuw. Het eerste conflict duurde van 1880 tot 1881, het tweede van 1899 tot 1900.

De oorlog wordt nu overigens South African War genoemd. Deze historische naamsverandering heeft te maken met het feit dat zowel aan Engelse als aan Boerenzijde vele duizenden zwarte Zuid-Afrikanen meevochten. Het leek een Europese oorlog die in Afrika werd uitgevochten, maar de oorlog had zijn weerslag op alle bewoners van Zuid-Afrika. In de rest van de wereld was de Boerenoorlog groot nieuws. In Nederland en andere Europese landen werd er in de kranten uitvoerig aandacht besteed. Sommigen zagen zich geroepen om tot steun te zijn. De steunbetuiging kwam ook van kunstenaarszijde. De belangrijkste kunstenaars die besloten om vanuit Nederland te emigreren naar Zuid-Afrika waren Anton van Wouw en Frans David Oerder.

Anton van Wouw in Stellenbosch op achtergrond werk van Irma Stern. foto Esther Schreuder

Frans David Oerder Three young Men in an Interior, 1896 coll Sanlam

De schilder David Oerder werd de officiële oorlogskunstenaar aan Boerzijde. In vergelijking tot zijn Engelse collega’s die de oorlog van de Engelse zijde op romantisch heroïsche wijze vastlegden, toonden de tekeningen en schetsen van Oerder eerder het omgekeerde. Hij concentreerde zich voornamelijk op het dagelijks leven van de oorlog: de verveling, het wachten, het koken. In onderwerpkeuze en stijlkeuze was hij een navolger van de Franse Neorealisten en Impressionisten. Op dezelfde wijze ging hij te werk bij het vastleggen van de bevolking van Zuid-Afrika, zowel wit als zwart.

Zowel Oerder als Van Wouw gaven les in Zuid-Afrika. Eén van de meest indrukwekkende kunstenaars die direct uit hun ‘Nederlandse school’ is voorgekomen is Jacobus Hendrik Pierneef.

Pierneef 1928

Pierneefs werken tonen een grote verwantschap met het vroege werk van Piet Mondriaan. Pierneef heeft de vroege Mondriaans, maar ook het latere abstracte werk waarschijnlijk gezien bij zijn bezoek in 1925 aan Nederland,  waar hij zoveel mogelijk musea aandeed. Terug in Zuid-Afrika wilde hij net als Mondriaan abstract gaan werken, maar de Zuid-Afrikaanse zeer behoudende blanke culturele wereld begreep hem totaal niet. Hij schakelde vanwege dit onbegrip over op prachtige verstilde en religieus aandoende landschappen met monumentale bomen, bergen en wolken. Er is in deze werken zelden een mens of ander levend wezen te zien. Mede om die reden worden de werken nu gezien als het summum van de Afrikaanse identiteit. Hij lijkt de Afrikaanse wens te vertegenwoordigen van een leeg Afrika, waar de ‘Boer’ ongestoord bezit van kan nemen. Maar ondanks deze aanklacht wordt hij door bijna iedereen erkent als een van Zuid-Afrika’s grote meesters.

JH Pierneef

Het onuitspreekbare een stem geven

In het begin van de twintigste eeuw gingen niet alleen blanke Zuid-Afrikaanse kunstenaars, zoals Pierneef, naar Europa. Zwarte Zuid-Afrikanen waren net zo geïnteresseerd.  In tegenstelling tot blanke kunstenaars als Pierneef bleven de zwarte kunstenaars meestal in Europa of reisden later door naar de Verenigde Staten omdat het daar voor hen beter leven was. Onder hen enkele van de beste kunstenaars die nu lichtende voorbeelden zijn geworden voor kunstenaars en wetenschappers in Zuid-Afrika als: Ernest Mancoba (1904-2002), Dumili Feni en Gerard Sekoto (1913-1993).

Ernest Mancoba vertrok in 1938 naar Parijs omdat hij de dialoog wilde aangaan met de Europese kunstenaars over Europees/Afrikaanse kunst.

Ernest Mancoba en de Host/Cobra groep

In Parijs leerde hij de Deense beeldhouwster Sonja Ferlov kennen waarmee hij in 1942 trouwde. Hij en zijn vrouw sloten zich in 1948 aan bij de kunstenaarsgroepen Host en Cobra.  Ondanks de vele kunsthistorische literatuur die hierover verschenen is,  wordt er vreemd genoeg in deze geschiedschrijving voorbij gegaan aan deze ‘echte Afrikaan’ in het gezelschap. Nog vreemder is het omdat juist deze kunstenaars onder andere zochten naar ‘De Afrikaan in zichzelf’.

Specialiste Willemijn Stokvis besteedt bijvoorbeeld in haar volumineuze overzichtswerk over Cobra een voetnoot aan Mancoba: ‘zijn werk moet nauwelijks iets gemeen hebben gehad met dat van zijn groepsgenoten. Ik zag naar naturalisme neigende gestileerde houten beeldjes van hem uit de tijd van vlak na de oorlog, die sterk zijn Afrikaanse afkomst verraden. Van zijn later werk zag ik het een en ander tijdens mijn bezoek aan hem en zijn vrouw in Parijs, voorjaar 1965’.

Inmiddels begint internationaal Ernest Mancoba nu een belangrijk schoolvoorbeeld te worden van het negeren van Afrikaanse kunstenaars door Westerse kunstwetenschappers.

Mancoba Ortvad, Corneille, Appel en Constant 1948 Kopenhagengerard-sekoto-reading-man

Sekoto Reading man

Mancoba’s collega Gerard Sekoto ging pas in 1947 naar Parijs nadat hij al een naam had gevestigd als kunstenaar in Zuid Afrika. Hij heeft namelijk als geen ander in zijn schilderijen het leven in de townships weten vast te leggen. Zijn werken zijn goed vergelijkbaar met de werken die in New York werden gemaakt door de Afro-Amerikaanse kunstenaars van de Harlem-renaissance.  Zowel de stijl als de inhoud komen overeen. Met vereenvoudigde vormen, strakke lijnen en expressieve fauvistische kleuren verbeeldde hij scènes uit het dagelijks leven in de achterbuurten van een grote stad. Zijn kijk is niet die van de blanke buitenstaander die naar de arme zwarte gemeenschap kijkt. Men is onderdeel van die wereld. Evenals de Harlemkunstenaars legt hij zichzelf vast in alle eenvoud.

Deze township-kunst, kreeg grote navolging bij andere kunstenaars en werd populair bij de blanke bevolking van Zuid Afrika.

gerard-sekoto

The song of the pick 1747

In de jaren zestig hadden veel in grote luxe levende blanke Zuid Afrikanen kleurige werken aan de muur hangen waarop het townshipleven en de armoede staan verbeeld. Tegelijkertijd zaten de grote zwarte leiders als Nelson Mandela en Walter Sisulu veilig achter slot en grendel.

Om te ontsnappen aan de onvrijheid vertrok Sekoto al voor die tijd naar Europa: ‘I must go to Paris, I must go to France where a man is free, where a man finds freedom’ was een van de vele verklaringen die hij gaf over zijn vertrek. En later volgde ook andere zeer getalenteerde zwarte kunstenaars als Louis Maqhubela en Dumeli Feni

Vanaf 1948 kregen de Afrikaners, met steun van de Engelsen, alleenheerschappij in Zuid Afrika. De machthebbers gingen nog meer aandacht besteden aan plekken (locations) waar mensen ‘ thuishoorden’. Mensen werden ingedeeld in stammen en kleur. Een ‘etnobeleid’ werd ingevoerd. ‘Thuislanden’ werden aangewezen en artificiële grenzen aangelegd. Door deportaties kwamen grote groepen mensen in niemandslandgebieden terecht. Niemand had  uitzicht op een betere toekomst. Men werd ernstig beperkt in ambities en in de mogelijkheden om deel te nemen aan culturele activiteiten elders. Een bizar pasjessysteem moest er voor zorgen dat mensen niet buiten de aan hen toegewezen gebieden konden komen. Buiten je ‘ras’  trouwen werd ten strengste verboden. Opleidingen en kunstacademies waren verboden voor zwarten.

Deze beperkte mogelijkheden leidde tot een hoeveelheid aan alternatieve studio’s, opleidingen, publicaties, theaters en kunstcentra die wel open waren voor alle ‘rassen’ en waar men elkaar kon ontmoeten. Met name de kunstenaarsinitiatieven als Polly street en Rorke’s Drift Art School worden nu door iedereen geroemd als belangrijk plekken op dat gebied. Zo kun je zeggen dat Polly street -onder leiding van de kunstenaar Cecil Skotnes- school maakte met zwarte zeer getalenteerde kunstenaars als Louis Maqhubela, Dumeli Feni en Sidney Kumalo, die verder werden opgeleid in deze kunstcentra. Ze kwamen er in contact met werken van Pablo Picasso, Constantin Brancusi, Arturo Martini, Alberto Giacometti en Henry Moore.

Het postkubisme, vermengd met traditionele Zuid-Afrikaanse stijlen, nam hier een hoge vlucht.  Dumili Feni wordt nu gezien als een van de grote meesters van de Zuid Afrikaanse kunst uit die periode. Een belangrijk onderwerp voor deze kunstenaars was wat‘the struggle’ wordt genoemd: de strijd tegen Apartheid. Een steeds wederkerend thema hierbinnen zijn de dierlijke mensfiguren, die zijn geaard in een inheemse religieuze visie op de wereld en in de wrede wereld van de Apartheid. De dier-mensfiguren symboliseerden de posities waarin velen zich bevonden: de ontmenselijking van het bestaan en de dierlijkheid die in iedereen schuilt.

Behalve dat de werken verbonden werden aan de keiharde Zuid-Afrikaanse  werkelijkheid van dat moment zijn er ook universele menselijke, surreële condities in te herkennen. Om zijn duistere, donkere beeldtaal werd Feni ‘de Goya van Zuid- Afrika’ genoemd.

Dumile Feni Man with a Lamb, 1965 Url Artthrob

Nieuwe tijden 

Na de vrijlating van Mandela in 1990 en de eerste democratische verkiezingen in 1994 kwam de kunstwereld van Zuid-Afrika in the picture van de internationale kunstscene. De wereld was na de opheffing van de culturele boycot nieuwsgierig geworden. Wereldwijd volgde vele Rainbowtentoonstellingen elkaar op. Allemaal gingen ze over het bevrijde Zuid-Afrika, het land van Mandela.  In Zuid-Afrika zelf is het op het gebied van de kunst de laatste twintig jaar snel gegaan. Er was veel te verwerken, zoals de onderlinge angst voor elkaar; het overwinnen van haat en achterdocht. Angsten hebben het culturele en maatschappelijke debat beheerst in de eerste tien jaar van het bevrijde Zuid-Afrika.

David Koloane (Goodman Gallery) Mgodoyi series 1993  url

Er zijn nog veel grote problemen te overwinnen. In diverse zwarte gemeenschappen bestaat bijvoorbeeld maar moeizaam acceptatie van homoseksuelen zijn nog grote problemen rondom de nog steeds om zich heen grijpende ziekte AIDS. Daarnaast leiden ook de angst voor elkaar, de angst voor buitenlanders, de woede, de ergernis en het vermaak over – corruptie en een overdreven machismo tot boeiende thema’s in de kunst.

Zanele Muholi

Whiteness

Een uitermate interessante ontwikkeling is het thema afkomst en huidskleur, dat nu bij de witte Zuid-Afrikaanse kunstenaars urgent is geworden. Michael MacGarry onderzoekt bijvoorbeeld in the White Lie (vertaald: een leugentje om bestwil / de witte leugen) de constructies die het geweld van de Apartheid hebben gelegitimeerd. Hij legt daarbij veel nadruk op de pistolen en geweren die fetisjen zijn, waardoor de blanke zich ‘beter’ kan voelen. Er is een eeuwige cirkel van geweld waarin mannen, bij hem altijd blank, gevangen lijken te zijn. Daarbij kaart hij ook het taboe op het plezier dat wordt beleefd aan geweld, aan. Over Whiteness in de kunst zijn inmiddels een paar Zuid-Afrikaanse  publicaties verschenen. Witte, blanke mannen zijn voor hun gevoel van de bovenste trede in de hiërarchie gezakt tot de laatste. Zij zijn nu The other. Zij zijn daarbij ‘de schuldigen’ aan de apartheid. Kunstenaars adresseren zulke vragen als: Mag de witte man nog wel in Zuid Afrika zijn? Hoort hij daar wel? Hoort de witte vrouw daar wel? (Claudette Schreuders) Moet hij niet Xhosa, de grootste taal van Zuid Afrika, leren spreken? (Brett Murray) Hoe voelt het om onderworpen te zijn, te worden behandeld met intense haat? (Kendell Geers) Hoe leeft de angst voor zwart bij wit? (Anton Kannemeyer) Waar bestaat het witte schuldgevoel uit? (Penny Siopis, Jane Alexander).

antontisfortrouble

Brett Murray op cover

‘Me’

De laatste tien jaar is de nadruk steeds meer komen te liggen bij ‘me’, bij de eigen identiteit van de kunstenaar.  De kunstenaar en zijn eigen wereld, zijn eigen cultuur en zijn eigen geschiedenis worden onderwerp van kunst. De meest opvallende grote gemeenschappelijke deler is de verbeelding van dieren en diermensen. En dan gaat het niet om leeuwen, olifanten en krokodillen, maar om honden, koeien, geiten en paarden. Dieren die dicht bij de mensen staan. Eén van de vele verklaringen die ik hiervoor in Zuid-Afrika kreeg was dat het makkelijker is om met een dier een band aan te gaan dan met ‘de ander’ van een ‘ander ras’. Deze dieren en diermensen zou ik als ‘A certain South Africanness’ willen benoemen of aanwijzen. Als beeld en emotie hebben ze iets universeels. Wie houdt er niet van zijn allereigenste hond, paard of geit ?

Willy Bester op Rainbow Nation tentoonstelling Beelden aan Zee foto Esther Schreuder

Maar als je wordt bedreigd door een troep wilde honden, dan zou je die het liefst met alle geweld willen uitroeien. En: huist er niet in ons allen een gevaarlijke hond, of een hond die meeloopt in de roedel?

Jane Alexander op Rainbow Nation tentoonstelling Beelden aan Zee

Vooral de honden lijken voor alle culturen en bevolkingsgroepen van Zuid-Afrika een symbolische functie te hebben. De betekenissen van de dieren zijn steeds weer anders, echter men herkent elkaars ‘honden’ en weet waar zij voor staan. Hetzelfde geldt voor een aanzienlijk aantal andere symbolen, waaronder plaatsnamen en mensen die een historische betekenis hebben. Wat dat betreft is The Rainbow Nation in de kunsten gelukt. Dat wil zeggen men deelt veel, maar is niet hetzelfde. Aan de rest, in het grote en mooie land, moet nog worden gewerkt.

Mary Sibande en Claudette Schreuders op Rainbow Nation tentoonstelling Beelden aan Zee Scheveningen

Gebruikte literatuur:

Cobra De weg naar spontaniteit, Dr Willemijn Stokvis, 2001

Democracy X Marking the present/re-presenting the past,ed. Andries Walter Oliphant, Lalou Meltzer, 2004

Revisions, expanding the narrative of South African Art, ed. Hayden Proud, 2006

South African Art now, Sue Williamson 2009

Art and the End of Apartheid, John Peffer 2009

‘The Erasure of Ernest Mancoba: Africa and Europe at the Crossroads’, Third Text  Volume 24, Issue 2, March 2010, pages 263-276 Laura M Smalligan.

All photos on this site are not intended for any commercial purpose. If you are a copyright holder and would like a piece of your work removed then please do not hesitate to contact me.

estherschreuderwebsite@gmail.com

The Rainbow Nation, Hedendaagse beeldhouwkunst uit Zuid-Afrika voor ook andere essays en meer informatie over Zuid-Afrikaanse kunstenaars. W books ISBN 9789040007514

Zie meer op  >Rainbow Nation exhibition <

De tentoonstelling is in Den Haag en Scheveningen te zien tot  30-9-2012

Zie voor meer over Zuid-Afrika op deze site de categorie (in rechter balk) South Africa / Zuid Afrika


Comments are closed.

%d bloggers like this: