•Afrika in het onderbewuste van de Europese en Nederlandse kunst / Africa in the subconscious of European Art

for English please scroll down

‘De Afrikaan’ en Afrikaanse kunst zijn de eerste helft van de twintigste eeuw een belangrijke rol gaan spelen in het terugvinden van de oorspronkelijke betekenis van kunst voor westerse kunstenaars. Vooral de kunstenaars van Cobra en de surrealisten wilden daarbij ‘de Afrikaan’ in zichzelf zoeken.

Belangrijke voorloper van zowel het surrealisme als Cobra was dada, begin jaren twintig. Dada-kunstenaars ontdekten de jazzmuziek en -dans, waaronder cakewalk, foxtrot en ragtime, en incorporeerden deze in hun projecten. Tal van optredens werden in Berlijn, Amsterdam en andere steden georganiseerd door kunstenaars, met  ‘neger’-gedichten (gedichten van en over ‘negers’), jazzmuziek, maskers en drums.

Hannah Hoch

Hannah Hoch

Deze anti-kunstbeweging speelde vooral met de krachten van het absurde en irrationele.

De surrealisten verlegden de aandacht van het irrationele naar de droom en de droomruimte. Voor de surrealisten verschafte de kunst van Oceanië, de Inuit, Aboriginals en outsiders zoals geestelijk gehandicapten een droomruimte, die dramatisch en verhalend was. Bovendien werd er naar nieuwe mythologische verhalen gezocht bij Afrikanen en Afro-Amerikanen. De surrealisten wilden zich hiermee afzetten tegen het oude Europese establishment.

Man Ray Collection of Edmunde Treillard ©Man Ray Trust/Artist Rights Society (ARS), NY/ADAGP, Paris.url Arts and Antiques online

Zo schreef de surrealist Philippe Soupault 1897 –1990 een roman Le Nègre (1927), waarin ‘de neger’ symbolisch de prostituee Europa vermoordt.

Over de nieuwe droomruimte bij de surrealisten schreef de Nederlandse kunstenaar Jacob Bendien 1890 –1933: ‘Wanneer we nu, geholpen door onze verachting voor spitsvondigheden van ons verstand, er in slagen, het gestadig babbelende en kritiserende intellect het zwijgen op te leggen, kan het ons na veel oefening gelukken het zoo weinig gekende onderbewustzijn, slechts matig geremd en gezeefd, aan de oppervlakte van het bewustzijn te brengen. Op deze wijze wordt een nieuwe realiteit geschapen, door de Surrealisten “surrealiteit” genoemd, – vandaar de naam Surrealisme.’

Jacob Bendien

Na de Tweede Wereldoorlog voelden de Experimentele Groep en Cobra zich in eerste instantie verwant aan de uitgangspunten van het surrealisme.

Van grote invloed op een aantal kunstenaars, die zich in 1948 zouden verenigen, was de in 1945 gehouden tentoonstelling in het Rijksmuseum Kunst in vrijheid waarop diverse werken uit Nieuw-Guinea en Suriname te zien waren.

Vooral Anton Rooskens 1906 –1976, Eugène Brands 1913 –2001 en Corneille (Guillaume van Beverloo, 1922) raakten hiervan erg onder de indruk. Zij gingen zich op een andere manier dan de surrealisten, interesseren voor ‘primitieve’ kunst.

Zie Cobra museum en Stedelijk Museum Schiedam site voor de werken (de kunstenaars zijn aangesloten bij pictoright)

Constant (Nieuwenhuys, 1920 –2005) schreef in 1949 dat de surrealisten te westers en te literair waren voor de Experimentelen en Cobra. De kunstenaars van Cobra oriënteerden zich liever op al bestaande primitivistische drijfveren in oude en nietwesterse culturen, volkskunst, tekeningen van kinderen en schizofrenen en de natuur zelf. De huidige cultuur was gestorven volgens Constant. Men moest een nieuwe maatschappij beginnen. Kunstenaars wilden een geheel nieuwe cultuur creëren en daarbij konden de ‘primitieve’ culturen, in het bijzonder de Afrikaanse, helpen. Hoewel Cobra het literaire wilde vermijden hadden de kunstenaars nauwe banden met dichters en schrijvers van de Vijftigers.

Remco Campert, een van de schrijvers schreef in 1951/52 een beroemd geworden gedicht, Een neger uit Mozambique. In het gedicht wordt de hoop verwoord te kunnen ontsnappen aan de grauwe naoorlogse jaren met behulp van een neger uit Mozambique;

-‘wij willen een neger uit Mozambique, wij zullen eindelijk zeer gelukkig zijn’-

is een passage.

Een ander beroemd gedicht van latere datum is Er is een grote norse neger uit 1959 van de kunstenaar-dichter Lucebert.

Er is een grote norse neger in mij neergedaald die van                                                                                 binnen dingen doet die niemand ziet ook ik niet want

donker is het daar en zwart                                                                                                                                 maar ik weet zeker hij bestudeert er aard en struktuur van                                                                                     heel mijn blanke almacht

hij morrelt eerst aan halfvermolmde kasten dan voel ik                                                                             splinters schieten door mijn schouder nu leest hij oude                                                                           formulieren dit is het lastigst te veel slaven trok ik af van de                                                                           belasting

Opvallend is dat zich in de directe omgeving van Cobra een zwarte Zuid-Afrikaanse kunstenaar bevond, Ernest Mancoba (Johannesburg, 1904 – Clamart, 25 oktober 2002).  Mancoba trouwde met de Deense Host-Cobra beeldhouwster Sonja Ferlov. Wat zijn invloed op en betekenis in de groep is geweest, is vooralsnog onduidelijk.

Sixten Wiklund, Ernest Mancoba, Carl-Henning Pedersen; Erik Ortvad, Ejler Bille, Knud Nielsen, Tage Mellerup, Aage Vogel-Jørgensen og Erik Thommesen; Karel Appel, Tony Appel, Christian Dotremont, Sonja Ferlov og Else Alfelt; voor: Asger Jorn, Corneille, Constant og Henry Heerup. Med tegning af Carl-Henning Pedersen. Courtesy Carl-Henning Pedersen & Else Alfelts Museum, Herning.

Ernest Mancoba Composition, 1940. 59 x 50 cm. Oil on canvas.

De meeste Nederlandse kunsthistorische studies gaan aan hem voorbij. Ook Willemijn Stokvis geeft hem nauwelijks een regel aandacht in haar grote overzichtswerk over Cobra. De reden hiervoor is niet duidelijk. Volgens The Short Century (2001) van Okwui Enwezor werd Mancoba in 1948 lid van Cobra en nam hij aan talloze tentoonstellingen deel.

Wordt Mancoba’s werk in Nederland als primitief gezien omdat hij een Afrikaan is ipv primitivistisch zoals dat van de Europese kunstenaars? Dit is een klacht bij Afrikaanse wetenschappers over Westerse kunsthistorische indelingen.

Of komt het omdat Willem Sandberg van het Stedelijk Museum geen oog voor hem had, zoals hij dat ook niet had voor de grote meester Max Beckmann, die in Amsterdam verbleef.

Mancoba’s werk is onder andere te vinden in Arhus Kunsthaus (dk), Centre George Pompidou (fr), Silkeborg kunstmuseum (dk), Statens Museum for Kunst (dk) Cobra Museum (nl)

Later meer over Mancoba

contact: e-mail: estherschreuderwebsite@gmail.com

———————————————————————————————

English

At the beginning of the twentieth century ‘the African’ and African art began to play a significant role for western artists in their rediscovery of the original meaning and purpose of art.

As part of this process the artists of CoBrA and the surrealists sought to find ‘the African’ in themselves. An important predecessor of both surrealism and CoBrA in the early 1920s was dada, the anti-art movement that embraced the forces of the absurd and the irrational. Dada artists discovered jazz music and dances, such as the cakewalk, foxtrot and ragtime, which they integrated into their projects. They also organised many performances incorporating ‘negro’ poems (poems by and about ‘negroes’), jazz music, masks and drums.

Dada performance in Amsterdam

Dada performance in Amsterdam From newspaper Het Vaderland, 30 January 1923.

The surrealists shifted the focus from the irrational to the dream and the dream space; they regarded the art of Oceania, the Inuit, Aboriginals and outsiders such as the mentally disabled as a dream space that was both dramatic and narrative; they also sought new mythological tales amongst Africans and African Americans. The surrealists’ intention was to reject the old European establishment, as is evident in the 1927 novel by the surrealist Philippe Soupault 1897 –1990, entitled Le Nègre, in which ‘the negro’ symbolically murders the prostitute Europe.

Charles Roelofsz Fantastische voorstelling 1930

Charles Roelofsz Fantastische voorstelling 1930 collection Centraal Museum Utrecht

The Dutch surrealist Jacob Bendien 1890 –1933 wrote of the surrealists’ new dream space: ‘If, aided by our contempt for our mind’s smart tricks, we now succeed in silencing the incessantly babbling and criticizing intellect, we may manage after much practice to bring the so little known subconscious to the surface of our consciousness, only moderately inhibited and filtered. In this way is a new reality shaped, called by the Surrealists “surreality”, – hence the name Surrealism.’

In the years following the Second World War the Experimental Group and CoBrA initially felt an affinity with the premises on which surrealism was based.

A major influence on a number of artists who would join forces in 1948 was the exhibition held in the Rijksmuseum in 1945, Kunst in vrijheid, at which Various works from New Guinea and Surinam were displayed. Anton Rooskens 1906 –1976, Eugène Brands 1913 – 2001 and Corneille (Guillaume van Beverloo, 1922) were particularly impressed by these, and their interest in ‘primitive’ art took a different direction from that of the surrealists. Constant (Nieuwenhuys, 1920 – 2005) wrote in 1949 that the surrealists were too western and too literary for the experimentalists and CoBrA: the CoBrA artists preferred to derive their inspiration from existing primitive forces, ancient and non-western cultures, folk art, drawings by children and schizophrenics and nature herself.

Contemporary culture had died,

Constant claimed, and people should start a new society; artists, who wished to create an entirely new culture, and ‘primitive’ cultures, especially the African culture, could help in this regard. Although  CoBrA had determined to avoid the literary, its artists maintained close connections with the experimental poets and writers of the ‘Vijftigers’ literary movement. In 1951 –1952 Remco Campert, one of these writers, wrote a now celebrated poem, Een neger uit Mozambique (A negro from Mozambique), which expresses the hope of being able to escape from the grey post-war years with the help of a negro from Mozambique; ‘wij willen een neger uit Mozambique, wij zullen eindelijk zeer gelukkig zijn’ (we want a negro from Mozambique, we’ll be extremely happy at last) is one passage from the poem. Another well-known poem of a later date is

Er is een grote norse neger (There’s a great big surly negro), written in 1959 by the artist-poet Lucebert.

A passage:

There’s a big surly negro dropped down in me

who’s doing things inside that no-one sees

me neither for it’s dark there and black

But I know for sure he’s studying there nature and structure

of all my white almightiness

It is interesting to note that there was a black South African artist, Ernest Mancoba 1910 – 2002, in the immediate CoBrA circle, although his influence on the group is as yet unclear.

Why is he hardly mentioned in the books on Cobra? Is it because he is African? Is he seen as a primitive (traditional or etnografic) artist instead of an artist working in a primitivist ‘style’? Is primitivism only for European artists?

Sonja Ferlov Mancoba and Ernest Mancoba The Danish artist Sonja Ferlov Mancoba would have celebrated her 100th birthday in November 2011. In this occasion Galerie Mikael Andersen is showing a large selection of Sonja Ferlov Mancoba’s unique sculptures together with drawings by her husband Ernest Mancoba, and paintings by their son Wonga Mancoba.

All photos on this site are not inteded for any commercial purpose. I have tried to trace all the rules and rights of all images. As far as I know, these images can be used in this way. If you ar a copyright holder and would like a piece of your work removed or the creditline changed then please do not hesitate to contact me.

For more information estherschreuderwebsite@gmail.com

Comments are closed.

%d bloggers like this: