• Wakaman Suriname 2009

Moengo groepsfoto Wakaman in wording foto Esther Schreuder

2009 Suriname Moengo Manou Hartsuyker, Remy Jungerman, Lillet Breddels, Rene Tosari, Marcel Pinas, Charl Landvreugd, Iris Kensmil. Patricia Kaersenhout. Kurt Nahar, Orfeo, Marieke Visser en meer (foto Esther Schreuder)

Wakaman in Moengo

Met WAKAMAN deden Remy Jungerman en Gillion Grantsaan onderzoek
naar de positie van kunstenaars van Surinaamse origine en naar hun verschillen en overeenkomsten.

Doel van dit onderzoek was om in de vorm van een tentoonstelling en een boek een aanvulling te geven op de magere documentatie over Surinaamse hedendaagse kunst.

Remy Jungerman en Gillion Grantsaan werkten samen met kunstenaars die in Suriname wonen:  Marcel Pinas, Kurt Nahar, Ori en kunstenaars die in Nederland wonen met een Surinaamse origine: Charl Landvreugd, Patricia Kaersenhout en Ori.

In de publicatie Wakaman drawing lines connecting dots Contemporary art Suriname staan teksten van Rob Perree, Marieke Visser, Adi Martis en Chandra Binnendijk

Tekst van Gillion Grantsaan in de publicatie:

Redimusu Gillion Grantsaan  (uit het Wakaman boek) for English please scroll down.

R.o.o.dkapje pakt me bij de hand en trekt me de Nederlandse marktplaats op. Ik stribbel een beetje tegen. Zij stopt niet. Het enige wat zij doet is speels achterom kijken, terwijl ze zachtjes in mijn hand knijpt en me meelokt met haar geheimzinnige glimlach. Als wij in het hart van de markt staan laat zij mijn hand los, spreidt haar armen uiteen en draait frivool rond. “Dit is allemaal van jou Dit is de openbare ruimte”, zegt ze. Het lijkt meer op een snoepwinkel als je het mij vraagt. Er zijn zoveel kraampjes.

Rechts Fonds voor Beeldende Gunsten, links Von Abba Museum, daarnaast Witter dan Wit, schuin hierachter Arti Fart, Bureau Geeuwaarden, Het Stedelijk Verzuim, enzovoort, enzovoort. Samen slenteren we dolgelukkig rond over de markt, uren worden dagen worden maanden worden jaren. En met de jaren wordt R.o.o.dkapje slechter ter been. Dus op een dag vraag ik haar: “Wat met de grote boze wolf, moeten we niet voorzichtig zijn als we door dit woud aan mogelijkheden gaan?” Zij wuift mijn vraag met haar hand weg en zegt: “Die wolf, die is net zo gevaarlijk als Zwarte Piet.”

Zij loopt door, zonder op of om te kijken of op mij te wachten.Uit de toon van haar stem maak ik op dat zij niet zit te wachten op dit gesprek of een gesprek. Als ik weer naast haar loop geeft zij mij haar arm om in te haken. Ik doe alsof ik het niet merk.

“R.o.o.dkapje wanneer eindigt dit sprookje”, vraag ik haar.

Deze keer geeft zij helemaal geen antwoord en wenkt me mee te komen naar het kraampje van Okwi and the Razerblads. Met een protesterende zucht ga ik mee.

“R.o.o.dkapje”, probeer ik weer, terwijl we door de merchandise van Okwi struinen. “Roodkapje wanneer…, of beter gezegd hoe eindigt dit sprookje? Word ik ooit een prins of blijf ik altijd de kikker?” Want hoewel ik in sprookjes geloof, weet ik dat een sprookje zonder einde mijn engste nachtmerrie is. Met een verveelde vermoeidheid kijkt ze me aan. “Jongen pieker toch niet zo” Zij geeft mij een droge kus op mijn wang. “Jeder hat sich schon die Frage gestellt: Wo ist mein Zuhause. Oder; was ist das Zuhause? Heimat?”

Nu, kijkt zij mij poeslief recht in de ogen, terwijl ze weet dat ik het haat als ze in het Duits begint te lullen.

“Ik pieker niet”, zeg ik op een fluisterende toon. “Alleen…”, ik aarzel, pruil mijn lippen, laat mijn schouders hangen en zucht net zolang totdat er geen lucht meer in mijn longen gevangen zit. Als ik haar blik gevangen heb, haal ik de trekker over. Gisteren ontmoette ik Wakaman en vroeg aan hen waarvoor zij gekomen waren, wat zij wilden zien. Aan hun kleding en hun manier van praten merkte ik dat sommigen niet van achter de dijken waren en toch geen vreemdelingen waren. Of eigenlijk toch weer wel, want zij waren hier niet om naar iets te kijken maar om bekeken te worden, niet om te kopen maar om te verkopen. “Goh, Ooo, wat goed zeg”, merkt R.o.o.dkapje op, glimlacht en moedigt me aan om verder te vertellen.

Dus ik vraag aan hen: “Waar is jullie kraampje?”

Blijkt het dat zij geen vast kraampje hebben, maar zo nu en dan een half stalletje huren tijdens wereldfestivals, of evenementen voor medelanders, kinderen, gehandicapten, vrouwen, daklozen en verslaafden. “D’r zit niet zoveel vlees aan”, zegt Wakaman, “maar ook de hofnar speelt een rol in een verhaal.” Ik ben zo onder de indruk van ze, want zij ademen een natuurlijk verzet uit om steeds uitgekleed rond te gaan in dit sprookje. Of nagewezen te worden door de handtastelijke clichés van de marktplaats.

“Wacht eens even”, zegt R.o.o.dkapje, “More Money More Money Dumas is niet van hier, maar nu van hier, net zoals jij. And she’s doing just fine”

“Ja en dat is precies wat Wakaman ook wil”, antwoord ik haar iets te enthousiast. Geschrokken van mijn eigen reactie pak ik haar hand, glimlach tegen haar en aai haar met mijn stem. Wakamans handelen, dat voortkomt uit de manier waarop zij dit sprookje beleven, heeft een bijna niet meetbaar effect op de openbare ruimte en marktplaats die zij bewandelen. Hun gedachten zwerven rond als dakloze kooplui die pas ruimte innemen en hun kraampjes opzetten na sluitingstijd en haastig afbreken als de mainstream aan klanten ‘s ochtends vroeg weer toestroomt.

Terwijl Wakaman geen tegenbeweging is maar een beweging; een beeldende lenigheid tussen de regels van de markt en de interpretatie van de verhaallijn van ons sprookje.

“R.o.o.dkapje”, zeg ik terwijl ik haar nu help om te gaan zitten, “weet je R.o.o.dkapje, Wakaman is romantiek, niet in de zin van verliefdheid maar meer als in roman (do as the Romans do), het spreken van je eigen lokale taal, als een natuurlijk deel van de taal van deze openbare ruimte. Van aasgieren in de luwte van de aandacht, zijn zij de roofdieren van hun eigen taal geworden. Wakaman handelt niet over de rationele globale mens maar over de romantische lokale mens.

Daarom verklaart Wakaman niets. Wakaman vertelt verhalen over de gelaagdheid van de mens als een collage van werelden in zijn eigen taal op deze marktplaats.

Wakaman is als het sprookje van de uitvinding van het conservenblik nog voor er een blikopener was, of van het kompas nog voor men wist dat de magnetische pool bij Groenland ligt, of het gebruik van kernenergie nog voor we weten wat we met het afval moeten…” “R.o.o.dkapje, R.o.o.dkapje slaap je?”

Gillion Grantsaan Accra, Tamale, Amsterdam februari 2009

Redimusu in Stedman coll

Zes kunstenaars met een Surinaamse achtergrond ontmoeten elkaar en gaan in dialoog via het internet en over de post. Gedurende vier maanden werken drie koppels samen:

Kurt Nahar SR en Iris Kensmil NL
Ory Plet SR en Patricia Kaersenhout NL
Marcel Pinas SR en Charl Landvreugd/NL-NYC

De zes kunstenaars stuurden materiaal over en weer en vonden al werkend gezamenlijke thema’s.
Vanaf 14 februari 2009 waren alle deelnemers in Suriname om gezamenlijk een tentoonstelling te maken van hun work in progress in Fort Zeelandia. Op 20 februari 2009 vond de opening plaats.

Aanloop naar en de tentoonstelling Fort Zeelandia, Paramaribo, Suriname februari 2009

Wakaman tentoonstellin Fort Zeelandia Paramaribo foto Esther Schreuder

Wakaman tentoonstelling werk van Charl Landvreug en Marcel Pinas in achtergron Iris Kensmil en Kurt Nahar, Fort Zeelandia, Paramaribo, Suriname foto Esther Schreuder

Fort Zeelandia Marcel Pinas werk foto Esther Schreuder

Wakaman tentoonstelling Marcel Pinas werk Fort Zeelandia, Suriname foto Esther Schreuder

Remy Jungerman op brug naar Moengo Suriname foto Esther Schreuder (c)

Remy Jungerman op weg naar Moengo foto Esther Schreuder

Patricia Kaersenhout Suriname foto Esther Schreuder (c)

Patricia Kaersenhout Suriname foto Esther Schreuder (c)

Marcel Pinas Charl Landvreugd Adi Martis foto Esther Schreuder (c)

Marcel Pinas Charl Landvreugd Adi Martis foto Esther Schreuder (c)

Remy Jungerman Charl Landvreugd Lilet Breddels foto Esther Schreuder

Patricia Kaersenhout, Remy Jungerman Charl Landvreugd, Ferdinand Dieten, Lilet Breddels, Omgeving Moengo foto Esther Schreuder

Moengo groepsfoto Wakaman in wording foto Esther Schreuder

2009 Suriname Moengo Manou Hartsuyker, Remy Jungerman, Lillet Breddels, Rene Tosari, Marcel Pinas, Charl Landvreugd, Iris Kensmil. Patricia Kaersenhout. Kurt Nahar, Orfeo, Marieke Visser en meer

Marcel Pinas en Wakamannen naar Moengo

Marcel Pinas foto Esther Schreuder

Werk Marcel Pians onderweg foto Esther Schreuder (c)

Omgeving Moengo, Rob Perree, Marieke Visser, Ferdinnand Dieten, Iris Kensmil. Manu Hartsuyker foto Esther Schreuder

Marieke Visser, Patricia Kaersenhout, Rob Perree in boot bij Moengo Wakamanreis Suriname in 2009 foto Esther Schreuder (c)

Marieke Visser, Patricia Kaersenhout, Rob Perree in boot bij Moengo Wakamanreis Suriname in 2009 foto Esther Schreuder (c)

Fort Zeelandia, Paramaribo, Suriname (foto’s Esther Schreuder)

Opening Ori Remy Jungerman Manu Hartsuyker foto Esther Schreuder (c)

Opening Wakaman Fort Zeelandia, Paramaribo, Ori, Remy Jungerman Manu Hartsuyker



Fort Zeelandia bovenzaal werk Patricia Kaersenhout, Iris Kensmil, Kurt Nahar foto Esther Schreuder (c)

Fort Zeelandia bovenzaal werk Patricia Kaersenhout, Iris Kensmil, Kurt Nahar

 

Iris Kenmsil Kaarten met vermoorde mensen in fort Zeelandia foto Esther Schreuder c

Iris Kenmsil Kaarten met vermoorde mensen in fort Zeelandia, Paramaribo, Suriname, foto Esther Schreuder c


Fort Zeelandia Patricia Kaersenhout Charl Landvreugd, foto Esther Schreuder (c)

Fort Zeelandia Patricia Kaersenhout Charl Landvreugd

                                                                                                           

wakaman ontwerp Monica Schokkenbroek grafisch ontwerp Monica Schokkenbroek
Redi musu

By Gillion Grantsaan in English

Little Red Riding Hood takes me by the hand and pulls me into the Dutch market. I struggle a bit. She doesn’t stop. She just looks back playfully while gently squeezing my hand and enticing me with her mysterious smile. When we get to the heart of the market she lets go of my hand, spreads her arms and frivolously spins around. ‘This is all yours! This is the public domain’, she says. It looks more like a sweetshop if you ask me. There are so many stalls. To the right the Fund for Visual Favours, to the left the Von Abba Museum, next door Whiter than White, across the way Arti Fart, Department of Yawn Norms, The Municipal Omission, and so on and so on. Blissfully we stroll around the market; hours become days become months become years.

As the years pass Little Red Riding Hood finds it harder going. So one day I ask her, ‘What about the big, bad wolf, shouldn’t we be careful as we go through this forest of opportunities?’ She dismisses my question with a wave, saying: ‘That wolf is about as dangerous as Santa’s little helpers.’ She walks on, oblivious, not waiting for me. From her tone I gather that she has no interest in this conversation or any other conversation. As I catch up with her she offers me her arm. I pretend I haven’t noticed. ‘Little Red Riding Hood, when will this fairytale end?’ I ask her. This time she doesn’t answer at all and beckons me over to the stall of Okwi and the Razerblads. With a sigh of protest I go with her. ‘Little Red Riding Hood’, I try again, while we rummage through Okwi’s merchandise. ‘Little Red Riding Hood when…, or rather how does this fairytale end? Will I turn into a prince or stay a frog forever?’ Because although I believe in fairytales, I also know that a fairytale without an ending is my worst nightmare.

She looks at me with a weary lethargy. ‘Don’t fret so much, boy!’ She gives me a peck on the cheek. ‘Jeder hat sich schon die Frage gestellt: Wo ist mein Zuhause. Oder; was ist das Zuhause? Heimat?’ Now, with an ingratiating glance, she looks me straight in the eye, knowing how I hate it when she starts with that German bullshit.

‘I’m not fretting’, I mutter under my breath. ‘only…’, I hesitate, purse my lips, drop my shoulders and sigh just long enough to drain my lungs of the last drop of air. When I catch her eye, I pull the trigger.

Yesterday I met Wakaman and asked why they had come, what they wanted to see. From their clothes and the way they talked I deduced that some were not from around here and yet were not strangers. Or maybe they were, since they were not here to look at anything they were here to be looked at, not to buy but to sell. ‘Ooh, great,’ observed Little Red Riding Hood, smiled and encouraged me to say more. So I asked them: ‘Where is your stall?’ Apparently they didn’t have a permanent stall, but rented half a stall every now and then at world festivals or events for non-natives, children, the disabled, women, the homeless and drug addicts. ‘There’s not much profit in it’, said Wakaman, ‘but even the jester has his place in a story’. I really am impressed, because carrying on walking around in this fairytale and being fingered by the sleazy clichés of the market so defencelessly demonstrates such a natural resistance. ‘Just you wait’, says Little Red Riding Hood, ‘More Money More Money Dumas is not from these parts, but belongs now, just like you. And she’s doing just fine!’ ‘Yes and that’s exactly what Wakaman wants too’, I answer, a little too enthusiastically.

Shocked by my own reaction I take her hand and smile at her, caressing her with my voice. Because of the way they perceive this fairytale, Wakaman’s trade has almost no quantifiable effect on the public domain or the market as they wander round. Their thoughts drift like stray vendors who only occupy space and set up their stalls after closing time and hastily dismantle them when the mainstream customers flood back again in the morning. Wakaman is not a countermovement but a movement; a visual sinuosity between the lines of the market and the interpretation of the storyline of our fairytale. ‘Little Red Riding Hood’, I say as I help her sit,‘you know, Little Red Riding Hood, Wakaman is Romantic, not like in being in love but like the Romans (do as the Romans do), speaking your own, local language, as if it is a natural part of the language of this public domain. From vultures on the periphery of attention, they have become the predators of their own language. Wakaman deals not with rational, global people but with romantic, local people. Therefore Wakaman explains nothing.

In this market Wakaman tells stories in its own language about the stratification of people as a collage of worlds. Wakaman is like the fairy tale of the invention of the can before there was a can opener, or of the compass before anyone knew the magnetic pole was by Greenland or the use of nuclear power before we know what to do with the waste…’ ‘Little Red Riding Hood, Little Red Riding Hood are you asleep?’

Accra, Tamale, Amsterdam, February 2009

To order the book (in English) see:  www.buku.nl.    

Links 

Fonds BKVB: http://www.intendanten.nl/intendant/projecten/02/project.php

http://www.readytexartgallery.com/website/page.asp?menuid=14&site=arts

See also Photography for more on Suriname and Publications

Comments are closed.